Welkom bij de vaktermen pagina. Hier op deze plek is geprobeerd om zoveel mogelijk
in de aquariastiek gebruikte vaktermen te verklaren. Op de site zelf vermijd ik zoveel
mogelijk deze termen, maar er helemaal aan ontkomen kan ook ik niet. Er is geprobeerd de
vaktermen in normaal nederlands te verklaren. Dat is misschien niet altijd gelukt,
maar ik geloof dat de meeste zo wel begrijpelijk zijn.
Veel Plezier!
a b c d e f g h i J k l m n o p q r s t u v w x y z
![]()
- Aar:
- bloeiwijze met lang gestrekte hoofdas, waarlangs ongesteelde afzonderlijke bloemen zitten.
- Adventiefknoppen:
- Zie Adventiefplanten
- Adventiefplanten:
- knoppen of planten aan wortels, bladeren of bloeiwijzen, die of spontaan of na beschadiging van de plant ontstaan.
- aflegger:
- voor beworteling op de bodem afgelegd plantendeel
- Afwisselende bladstand:
- de bladeren staan afwisselend links en rechts van de stengel.
- Albino
- Komt van albus (is wit). Dit is dus een individu welk in alle lichaamsdelen de kleurstof mist en dus helemaal wit is. Een witte vis met rode ogen.
- alg
- plant met een lage ontwikkeling
- algicide
- algendodende stof
- alkalisch
- kalkhoudende reactie van het water
- Amfibisch:
- zowel in het water als op het land levend.
- Anaëroob:
- zonder zuurstof.
- Anatomie:
- wetenschap van de inwendige bouw van organismen, de cel- en weefselleer omvattend.
- Anionen
- Negatieve ionen
- Anthere:
- helmhokje.
- Anionen
- Negatief geladen deeltjes (negatieve ionen)
- Anthese:
- ontwikkelingsfase van de bloemorganen van het eind van het knopstadium tot het begin van het verwelken.
- Anthocyaan:
- in het celsap opgeloste kleurstoffen, waarvan de kleur o.a. van de pH-waarde van het celsap afhangt.
- Apomixis:
- voortplanting, die schijnbaar met de seksuele overeenkomt, maar in werkelijkheid zonder bevruchting plaatsvindt; zaadvorming zonder voorafgaande bevruchting.
- Aquatisch
- Planten die in het water groeien. Deze planten halen hun voedsel uit het water en de bodem.
- Assimilatie:
- opbouw van lichaamseigen organische stoffen uit anorganische of andere organische stoffen. Vaak verstaat men onder assimilatie in het bijzonder de vorming van zetmeel uit kooldioxide en water met behulp van lichtenergie en bladgroen (zie fotosynthese).

- Bacterie
- Een microscopisch eencellig organisme. Sommige zijn nuttig, andere kunnen ziekten veroorzaken. Ze vermeerderen zich door deling.
- Basaal:
- aan de basis, wortelstandig.
- bladoksel
- de hoek tussen blad en steel
- bladgroen
- Zie chlorophyl
- bladsteel
- de steel, die het blad draagt
- bladgroen:
- zie Fotosynthese.
- bestuiving
- overdragen van stuifmeel op de stempel
- bevruchting
- vereniging van de kernen van de mannelijke en vrouwelijke bloemen
- biogene Ontkalking
- Zie: Biochemische ontkalking
- Biochemische ontkalking
- vind plaats als Calcium bicarbonaat (Ca (HCO3)2) uit het water neerslaat om Calcium Carbonaat (CaCO3) te vormen.Dit mechanisme werkt doordat planten CO2 uit het aquariumwater verbruiken. Planten zoals Elodea, Najas, Eigeria, Ceratophyllum, en Vallisneria zijn in staat om het bicarbonaat ion (HCO3-) te gebruiken om CO2 te verkrijgen.
- Biotoop
- Een landschap/rivier/poel/etc dat aan de voorwaarden voldoet waaronder een soort kan voortbestaan.
- bloem
- het deel van de plant, dat dient voor de geslachtelijke vermeerdering
- Bloembekleedsels:
- de buitenste steriele bloembladeren, die de fertiele organen omgeven. De bloemdekbladeren zijn gelijk (perigonium) of verschillend gevormd en in kelk en kroon verdeeld.
- bloemschacht
- het deel van de steel, dat de bloesem draagt
- bloemsteel
- steel van een enkele bloem
- bloesem
- uit verschillende bloemen samengesteld
- bloesemkrans
- etage van een bloesem
- bodemuitloper
- vorm van vegetatieve vermeerdering
- Bractee:
- schutblad van een bloem.
- Bulloos:
- blazig, gebobbeld.

- Chasmogamie
- bestuiving bij bloemen, die zich openen en voor bestuiving met stuifmeel uit andere bloemen toegankelijk zijn (zie cleistogamie).
- Chlorofiel
- bladgroen, zie Fotosynthese.
- Cleistogamie
- zelfbevruchting binnen de gesloten bloem.
- CO2
- Zie kooldioxide
- Cosmopolitisch
- Over de hele wereld voorkomen.
- Cultivar
- Een plant die in het wild niet voorkomt maar door een kweker is ‘gemaakt’, vaak uit twee andere planten. Tegenwoordig verschijnen er steeds meer op de markt.
- Cuticula
- een door de epidermis-oppervlakte uitgescheiden waslaag; bij alle hoger ontwikkelde planten een voor gas en water slecht doorlaatbare, uit cutine bestaande laag ter vermindering van de verdamping.

- Dagneutrale planten
- de belichtingsduur (daglengte) heeft geen invloed op de bloemvorming.
- Degeneratie
- Ontaarding,achteruitgang van goede eigenschappen.
- Dichasium
- vertakkingsvorm, waarbij de twee zijtakken de voortzetting van de moedertak vormen.
- Dichotoom
- gaffelvormig vertakt met twee gelijkwaardige zijtakken.
- diffusie
- uitwisseling van moleculen totdat er een evenwichtstoestand ontstaat
- diffusieoppervlak
- oppervlak waar de diffusie plaatsvindt
- Diplolid
- cellen met dubbel aantal chromosomen.
- Doosvrucht
- uit enkele vergroeide vruchtbladen gevormde vrucht, die bij rijpheid open springt.
- dwarsnerf
- kortere bladnerven, die in een hoek af staan van de lengtenerven

- Eenhuizig:
- planten die bloemen hebben die hetzij slechts meeldraden (mannelijk) of slechts stampers (vrouwelijk) bevatten.
- Eenjarig:
- de totale levensloop van een plant, van de kieming tot aan het rijpen van de vrucht, voltrekt zich binnen één groeiperiode.
- Eenslachtig:
- bloemen waarin zich hetzij slechts vrouwelijke (stampers), hetzij slechts mannelijke (meeldraden) geslachtsorganen bevinden.
- Emers:
- boven water levend.
- Endeem:
- organisme dat in tegenstelling tot een kosmopoliet van nature slechts in een klein gebied voorkomt. Bijvoorbeeld de Sawbwa respeldens komt alleen maar in het Inlé-meer in Myanmar voor.
- Epifytisch
- Planten die op andere planten groeien maar verder niets schadelijks doen. Deze planten halen hun nutriënten uit: regenwater, afval, of zelfs hun eigen dode weefsel.
- Epidermis:
- opperhuid, oppervlaktecellaag van hogere planten en dieren.
- Eutroof:
- voedselrijk.

- F 1
- De eerste generatie uit Wildvang.
- F 2
- De tweede generatie uit paring van F 1 * F i .
- F 3
- De derde generatie uit paring F 2 * F 2.
- Fenotype
- De waarneembare verschijningsvorm (MAW Het uiterlijk), deze kan echter beïnvloed worden door het genotype (DWZ de genen).
- Fertiel:
- vruchtbaar.
- Filament:
- helmdraad.
- Fotosynthese:
- fysiologisch proces, waarbij uit anorganische stoffen onder katalytische medewerking van het bladgroen en onder benutting van het zonlicht organische stoffen (koolhydraten) worden opgebouwd, vaak ook als assimilatie in engere zin aangeduid.
Fotoperiodiciteit
- Het aanzetten tot bloeien als reactie op de relatieve duur van dag en nacht.
- FRK
- Zie Franse Rode Klei.
- Franse Rode Klei
- Klei uit Frankrijk gelijk aan lateriet De klei is rood door het hoge ijzergehalte.

- Genen
- Meervoud van gen ,Genen zijn de dragers van erfelijke eigenschappen.
- Genotype
- De verzameling zichtbare en onzichtbare verervings mogelijkheden bekend of onbekend.
- gedeformeerd
- afwijkend van de goede
- gesteeld
- als het blad op een steel zit
- Geslachtelijke voortplanting:
- voortplanting langs geslachtelijke weg (b. v. door zaden).
- grondstandig
- bladeren, die uit de wortelstok naar boven groeien
- Gynoecium:
- het totaal van de vrouwelijke organen resp. de stampers van een bloem.

- Heteromorf
- verschillend gevormd.
- heterophyl
- met verschillende bladeren
- Huidmondjes:
- openingen in de epidermis van de planten, die door twee bijzonder gevormde sluitcellen zijn omgeven; ze reguleren de opname van kooldioxide en de afgifte van waterdamp.
- Humus
- Het eindproduct van de compostering van organisch materiaal. De humus vergaat zeer slecht verder.
- Hybride
- Een kruising uit twee soorten.
- Hypanthium
- bloembeker; een buisvormig deel tussen het vruchtbeginsel en de overige bloemorganen.

- Indusium:
- sluier, het tere omhulsel, dat bij de varens de groep sporangiën omhult.
- Intercellulaire ruimten
- ruimten tussen de cellen, die een samenhangend, met lucht gevuld systeem vormen.
- Internodiën
- tussen twee knopen (nodiën) liggend stengelstuk.
- Juveniel
- Jonge,nog niet geslachtsrijpe
- kalkvliedend
- planten, die geen kalk verdragen kalkhardheid door kalk veroorzaakte hardheid van water.
- Kationen
- Positief geladen opgeloste deeltjes. (positieve ionen)
- kiemen
- de eerste aanzet van het zaad tot een plant
- knop
- nog niet ontplooide bloem of in rust verkerende spruit
- knoop
- iets verdikte plaats, waar het blad aan de stengel zit
- kooldioxide
- Gasvormige koolstofverbinding (C02)
- koolzuur
- In water opgeloste kooldioxide (H2C03)
- Korte-dagplant:
- planten die bij een dagelijkse belichtingsduur van minder dan 12 uur bloeien.
- Kosmopoliet:
- plantensoort die min of meer over de gehele aarde is verspreid.
- Kransgewijze bladstand:
- drie of meer bladeren zijn in een krans gerangschikt.
- Kruisgewijze bladstand:
- de bladeren staan twee aan twee tegenover elkaar, en eik bladpaar staat loodrecht op het vorige.

- Lancetvormige bladvormen:
- grootste doorsnede van de bladschijf ligt onder het midden.
- Lange-dagplant:
- planten, die bij een dagelijkse belichtingsduur van meer dan 12 uur bloeien.
- larvofiele muilbroeder:
- De vissen nemenpas de jongen in hun muil nemen nadat ze uit het ei zijn gekomen. En geven ze zo bescherming. Zie ook ovofiele muilbroeder.
- leem
- mengsel uit klei en zand
- lengtenerf
- van de bladbasis naar de bladpunt lopen de nerf
- Lintvormige bladvorm:
- breedte tot lengte als 1 :
- 12 of meer, bladranden parallel.
- Lijnvormige bladvorm:
- breedte tot lengte als 1 6 tot 8; bladranden parallel.
- Lithofytisch
- planten die op stenen groeien, ook wel epilitisch genoemd. Voorbeelden zijn: mossen of korstmossen. Litofyten halen hun voeding uit mossen, nutriënten in regenwater, afval, of zelfs hun eigen dode weefsel.
- luchtblad
- blad, dat zich boven water ontwikkelt
- lux
- waarde, waarmede licht gemeten wordt

- Macrosporangium:
- sporenhoopje voor macrosporen.
- Macrospore:
- vrouwelijke (grotere) spore.
- Mannelijke bloemen:
- bloemen, die slechts meeldraden dragen.
- Mesotroof:
- gemiddelde voedselrijkdom tussen oligotroof (voedselarm) en eutroof (voedselrijk).
- Microsporangium:
- sporenhoopje voor microsporen.
- Microspore:
- mannelijke (kleine) spore.
- middennerf
- de nerf, die van de bladbasis naar de blad punt loopt
- modificatie
- door milieuveranderingen veroorzaakte omvorming in een plant
- moerasplant
- plant van vochtige of natte bodem
- Morfologie:
- wetenschap van de uitwendige bouw of vorm van dieren en planten.
- Mutatie:
- een spontaan optredende verandering van het erfelijk materiaal.

- Nectariën:
- honingklieren, afscheidingsorganen, die nectar ter aanlokking van insecten afscheiden.
- Niche:
- het totaal van de omstandigheden, die een bepaalde soort het leven mogelijk maken.
- Nodiën:
- knopen, stengelknopen (aanhechtingsplaats van de bladeren bij stengelplanten).
- Nomenclatuur:
- leer van de naamgeving. De door Linnaeus ingevoerde naamgeving van dieren en planten naar geslacht en soort (binaire nomenclatuur). De 'International Code of Botanical Nomenclature' geeft verplichte regels voor de beschrijving en de naamgeving van de soorten. Bij het niet inachtneming van deze regels is een gegeven naam meestal ongeldig.

- Oecologie:
- wetenschap van de relaties van de organismen tot elkaar en tot hun omgeving.
- Oligotroof:
- voedselarm.
- Osmose
- Vloeistof met lage concentratie zouten zal zich door de celwand naar de vloeistof met hoge concentratie verplaatsen met zouten verplaatsen waardoor na verloop van tijd de concentratie gelijk wordt, en er aan een kant méér vloeistof bevind. Dit proces heet osmose.
- overblijvend:
- de plant bloeit en draagt vrucht gedurende verscheidene jaren.
- Overwinteringsknoppen:
- zie Turionen:
- ovofiele muilbroeders:
- De vissen nemen de eieren zelf al in de muil, en laten ze daar uitkomen.
- Ovovivipaar
- eierlevendbarend

- Pantropisch
- In alle tropische zones van de wereld voorkomend. In de praktijk komen veel als pantropisch omschreven soorten ook in bepaalde warmere delen van de gematigde zones voor.
- Parasitisch
- Planten die in andere planten en daar ook voedsel van stelen.
- Paludarium:
- nabootsing van een moerasbiotoop voor vochtminnende dieren en planten, gewoonlijk met water- en landdeel.
- Perianth:
- dubbel bloemdek, meestal uit een groene kelk en opvallend gekleurde kroon bestaand.
- Perigonium:
- bloemdek bestaande uit gelijkvormige en gelijk gekleurde bloemdekbladeren. Er is dus geen verschil tussen kelk- en kroonbladen.
- Pistillodium:
- steriele stempel.
- plantenstraatje
- langgerekte formatie van planten in de aquariuminrichting
- pH-waarde
- getalsmatige uitdrukking van de zure of basische reactie van stoffen
- pH
- afkorting van pondus Hydrogenii = gewicht van de waterstof
- Polymorf:
- veelvormig.
- Populatie
- Verzameling individuen van een soort die in een bepaald gebied voorkomen.
- Plankton
- Vrij in het water zwevende organisme met geringe eigen beweeglijkheid ( vooral kleine algen en microscopische kleine dieren )
- primaire nerf
- hoofd- of middennerf, waarvan de andere nerven afbuigen
- proliferatie
- levendbarende plantenvorming
- Primaire bladeren:
- de bij veel planten na de kiembladeren verschijnende, van de latere bladeren verschillende eerste bladeren.
- pseudovivipaar
- schijnbaar levendbarend

- Revisie
- herziening van de nomenclatuur
- Rizoid:
- een- of meercellige haren, die de wortels vervangen. Hun functie is hoofdzakelijk de verankering in/aan het substraat.
- Rizoom:
- wortelstok, ondergronds, meer of minder verdikt stengelstuk. De rizomen slaan vaak zetmeel op.
- rozetplant
- bodemstandige plant, waarvan de bladeren een rozet vormen
- Rudimentair:
- gedegenereerde maar nog aanwezige organen, die hun oorspronkelijke functie verloren hebben.

- Scherm:
- bloeiwijze met verkorte hoofdas, waarop de ongeveer van één punt straalvormig uitgaande, meer of minder lang gesteelde afzonderlijke bloemen staan. Als in plaats van de afzonderlijke bloempjes weer kleine schermpjes zitten, spreekt men van een samengesteld scherm.
- Schijnaar:
- gedrongen pluimvormige bloeiwijze.
- Schildvormig:
- de steel is in het midden van de bladschijf aangehecht.
- Secundaire bladeren:
- na de primaire bladeren verschijnende bladeren met de voor die soort kenmerkende vorm.
- Semi-emers:
- planten, die gedeeltelijk onder water en gedeeltelijk met hun scheuten boven de oppervlakte uitsteken.
- semi-permeabel membraan
- Een membraan wel doorlaatbaar is voor water moleculen, maar niet doorlaatbaar is voor zouten, bacteriën, organische stoffen, virussen, etc. De doorlaatbaarheid van het membraan kan zo klein zijn, dat eigelijk alle verontreinigingen, zoutmoleculen, bacteriën, organische stoffen, etc. gescheiden worden van het water.
- solitairplant
- een afzonderlijk staande plant
- Spadix:
- bloemkolf.
- Spatelvormig:
- bladschijf langer dan breed, top breed afgerond, voet breed in de steel aflopend.
- Spatha:
- een vaak opvallend gekleurde bractee, typische voor Aronskelkachtige planten.
- species
- plantensoort
- Sporangium:
- sporenhoopje.
- Sporocarpiën:
- de door een dikke sluier volledig omsloten sporenhoopjes van watervarens.
- Sporofyllen:
- sporenbladeren, de sporangiën dragende bladeren van varens.
- Staminodiën:
- rudimentaire, steriele meeldraden, die geen vruchtbaar stuifmeel voortbrengen.
- Stempel:
- het uiteinde van de stamper waarop voor de bevruchting stuifmeel moet worden afgezet.
- stuifmeel
- zaad van de plant
- stengelplant
- plant,die haar bladeren op een stengel vormt
- Submers:
- ondergedoken, onder water levend.
- Sympatrisch:
- aanduiding voor soorten met gelijke of overlappende verspreidingsgebieden.
- Synandrium:
- orgaan door de vergroeiing van het totaal der meeldraden ontstaan.
- Syncarpium:
- vrucht, die uit twee of meer vergroeide vruchtbladeren van één of meer bloemen ontstaat, b. v. bij Cryptocoryne-soorten of bij Ananas (uit verscheidene vergroeide vruchten gevormd).
- Synoniem:
- ongeldige plantennaarn.
- Syntoop:
- op dezelfde groeiplaats voorkomend.
- Systematiek:
- vakrichting van de biologie met de taak, de evolutionair bepaalde verwantschappen bij dieren en planten vast te stellen en ze in een systeem te rangschikken. Een deelgebied van de systematiek is de taxonomie.

- Taxonomie:
- de leer van de wetmatigheden van de ordening, met de opgave de organismen te beschrijven, te benoemen en in een systeem te rangschikken.
- Tegenoverstaande bladstand:
- de bladeren staan twee aan twee tegenover elkaar. Wanneer de bladeren kruisgewijs tegenover elkaar staan spreekt men van kruisgewijze bladstand (zie aldaar).
- Tepalen:
- de afzonderlijke blaadjes van een perigonium (bloemdek, als dat niet in kelk en kroon is verdeeld).
- Teritorium
- Het gebied dat een vogel of vogelpaar als terrein beschouwt en verdedigt soortgenoten en soms tegen andere soorten.
- Terrestrisch
- Planten die in de aarde groeien. Deze planten halen hun voedsel uit de aarde.
- Thallus:
- plantenlichaam, vooral van algen, korstmossen en eenvoudige mossen; niet in stengel, bladeren en wortels verdeeld.
- toppen
- afsnijden van de groeipunt (bovenkant van de stengelplant).
- Transpiratie:
- afgifte van waterdamp.
- Triploïd:
- cellen met het drievoudige aantal chromosomen.
- Tros:
- bloeiwijze met langs een gestrekte stengel gerangschikte, gesteelde bloemen.
- Turionen:
- overwinteringsknoppen van talrijke waterplanten. Ze worden in de herfst gevormd, overwinteren op de bodem van het water en stijgen pas in het voorjaar weer naar de oppervlakte, waar ze zich tot nieuwe planten ontwikkelen.
- Tweehuizig:
- rnannelijke en vrouwelijke bloemen zijn over afzonderlijke (eenslachtige) planten verdeeld.
- Tweeslachtige bloemen:
- bloemen, waarin zowel meeldraden als stampers aanwezig zijn (mannelijk en vrouwlijk).
- Type-vindplaats:
- de vindplaats, waar het exemplaar, waarnaar de plant is beschreven, werd verzameld.

- var.
- afkorting voor variëteit
- variëteit
- veranderd, verscheiden
- vedernervig
- als de zijnerven aan een middennerf ontspringen
- Vegetatieve vermeerdering:
- voortplanting langs ongeslachtelijke weg (b. v. door zijscheuten, afleggers, enz.).
- vrucht
- het voortplantingsorgaan, dat de zaden bevat
- Vruchtbladen:
- bladorganen van de plant, die de zaadknoppen voortbrengen.
- vruchtknop
- vrouwelijk deel van de bloem, waar de vruchten ontstaan

- waterblad
- in het water gevormd blad
- waterhardheid
- door hardheid veroorzaakte reactie van het water
- wildvorm
- tegenstelling van een gekweekte plant (zoals in de natuur voorkomt).
- wisselstandig
- de bladeren staan afwisselend aan de stengel
- wortelhals
- gedeelte tussen wortel en kiemstengel
- wortelstok
- min of meer verdikt, meestal loodrechte spruit (rhizoom) waaruit de wortels groeien, meestal reservoir voor reservevoedsel stoffen

- zaad
- een na de bevruchting gevormd orgaan voor de voortplanting, waarin de jonge kiem door een beschermend omhulsel is omgeven
- zuurmantel
- een om de plantwortel gevormde citroen-zuurmantel voor het oplossen van de voedselstoffen
- zijnerf
- uit de middennerf ontspringende nerf
- zijspruit
- uit de hoofdspruit komende spruit
